Natuur in het park

Vogel van de maand: de holenduif

Holenduif

Al eerder is in deze rubriek de houtduif besproken, die opvalt door zijn grote witte halsvlek. De holenduif is een duif van bescheidener afmetingen en heeft geen witte, maar een groene halsvlek die onder invloed van zonlicht metaalachtige weerschijn krijgt. Hij heeft hetzelfde formaat als de bekende stadsduiven, maar hij is heel schuw tegenover mensen. De stadsduiven hebben een heel bont verenkleed, bijna geen enkele is gelijk getekend. De holenduif is daarentegen minder opvallend. Hij heeft wel kenmerkende donker gekleurde slagpennen, die extra opvallen als de vogel zijn vleugels uitslaat. Over de kleinere vleugelveren lopen twee zwarte bandjes. Ze zijn wat bescheidener dan dezelfde bandering bij sommige stadsduiven. De borst is paars/roodachtig aangezet. De staart heeft een donkere eindband. Op de foto is dat goed te zien.

De vogel dankt zijn naam aan het broeden in holen. Naast het gebruik van konijnenholen op de grond broedt hij veelal in boomholtes, daardoor komt zijn bescheidener formaat t.o.v. de houtduif goed te pas. In het Rembrandtpark staan weinig bomen met voldoende grote boomholtes, maar net als de kauw, vindt de holenduif grotendeels met klimop begroeide bomen een goede boomholte-vervanger; achter die klimoplaag waan je je in een boomholte.

Voor een duif zijn ze weinig luidruchtig. Het is een vogel waar je in het park dus echt naar op zoek moet gaan. Ze zijn het beste zichtbaar als ze op de grond naar voedsel lopen te zoeken.

Foerageren doen ze graag in groepjes en na het broedseizoen zoeken ze soortgenoten op om dan soms met tientallen akkers af te zoeken naar oogstresten. Als het ze in het park te druk wordt, hebben ze er geen moeite mee om een flink eind te vliegen naar een plek waar ze voedsel weten te vinden. Soms wel 10 – 20 km van hun nestplaats. Het zijn echte zaadeters. In de herfst en winter zijn ze vaak in het park afwezig en verblijven ze meer aan de stadsranden. Onze vogels zijn standvogel, maar in de herfst en winter zoeken veel soortgenoten uit Finland, Zweden en Noord-Duitsland vaak hun heil bij ons, zeker als in het noorden de sneeuw begint te vallen.

De holenduif broedt van maart tot oktober en broedt dan meerdere broedsels uit, doorgaans 3 tot 4. Een broedsel telt steeds 2 eieren. Ze broeden ook vaak in kauwennesten. Die kauwtjes broeden maar 1x per jaar. De holenduif wacht dan met broeden tot het kauwennest is uitgevlogen en daarna neemt hij het verlaten nest in gebruik.

Teun van Dijk

Thursday, April 1st, 2021 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de zilvermeeuw

zilvermeeuw

De vorige maand maakten we kennis met de kokmeeuw, deze maand wordt zijn grote neef de zilvermeeuw in beeld gebracht. Dit is een echte zeemeeuw die boven zee en op het strand kan worden aangetroffen. Net als de kokmeeuw zoekt hij graag soortgenoten op. In de winterperiode komen zilvermeeuwen graag ook in de stad rondkijken, wat daar allemaal te eten valt. Zilvermeeuwen zijn echte vuilnismannen, alles wat eetbaar is gaat naar binnen, op de vloedlijn speuren ze naar wat eetbaar is. In de stad deinzen ze er niet voor terug om vuilniszakken open te scheuren, want ze weten dat daar doorgaans wel iets eetbaars in te vinden is.

Deze meeuw is zeker tweemaal een kokmeeuw van afmetingen. De rug en vleugelveren zijn blauwgrijs. De grote slagpennen zijn voornamelijk zwart met wit in de top, zoals de foto laat zien. De hele rest van het lijf is wit. De snavel is geel met in het voorjaar een rode vlek op de ondersnavel. Die dient vooral als richtpunt voor de jonge meeuwen, door ernaar te pikken gaat de oudervogel dan voedsel overgeven. Letterlijk want ze braken het op. De poten zijn vleeskleurig en hebben zwemvliezen.

Net als de kokmeeuw is ook de zilvermeeuw sinds de komst van de vossen in het duingebied steeds meer gaan uitwijken naar platte daken aan de rand van de bebouwde kom. Vooral op bedrijventerreinen vestigen ze zich graag, zoals in het Westelijk Havengebied. Die grote meeuwen hebben doorgaans ook een flinke ontlasting en zo’n meeuwenkolonie kan de ramen van zo’n gebouw waar ze nestelen flink vervuilen, waardoor ze niet altijd met open armen worden ontvangen. Doordat op de Wadden-eilanden geen vossen voorkomen, broeden ze daar nog in de duinen.

Net als de kokmeeuw legt het vrouwtje drie eieren. De jongen worden met dons bedekt geboren en kunnen na het opdrogen meteen het nest verlaten, maar toch blijven ze veelal in de buurt, want daar voeren de ouders immers hun voedsel aan en die grote buren hebben gevaarlijke snavels. Als ze eenmaal vliegvlug geworden zijn, hebben ze net als de jongen van de kokmeeuw een overwegend bruingevlekt verenkleed. Zie foto. Bij deze grotere meeuwensoort doen de jongen er een jaar langer over om volwassen te worden. Elk jaar verdwijnt er een deel van die bruinige veren en gaan ze meer op hun ouders lijken. Zie foto jong in 2de levensjaar. De staart en vleugeldekveren behouden het langst hun bruinige tekening.  Grotere vogels worden ouder dan kleine, deze meeuwen kunnen 30 jaar oud worden. De meeste sterven in hun jeugdjaren, veelal doordat ze nog te weinig ervaring hebben met het verzamelen van voldoende voedsel.

jong in 2de levensjaar

Zilvermeeuwen zijn in deze tijd ook altijd in het park te vinden, op de vijvers of de gazons ernaast. Hier vertonen ze soms hetzelfde gedrag als de kokmeeuwen: trappelen met hun poten. Niet tegen koude tenen, maar om wormen te doen suggereren dat er een mol nadert.

Doordat ze nu ook aan de rand van de stad nestelen, vormen ze een gevaar voor jonge watervogels. Die vormen een gewilde snack voor zo’n grote meeuw. Een moedereend of een meerkoet kan ook weinig uitrichten tegen zo’n gevederde reus en moet vaak ongewild toezien hoe één van haar jongen tussen de snavel zijn eerste en laatste luchtreis gaat maken. De achteruitgang van de wilde eend kan hieraan wel eens voor een groot deel toe te schrijven zijn.

Buiten het broedseizoen slapen deze meeuwen in grote groepen, net als de kokmeeuw, dobberend op het water van de Sloterplas, één van de rustige havens, of een grote aanlegsteiger in het water.

Teun van Dijk

Monday, March 1st, 2021 Algemeen, Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de kokmeeuw

In deze tijd van het jaar wordt het park druk bezocht door kokmeeuwen. Bij meeuwen denken we doorgaans meteen aan de zee, maar de kokmeeuw is geen uitgesproken zeemeeuw. Hij is meer verbonden met zoet water.

De kokmeeuw kent twee jaarverenkleden: in de winter heeft hij achter zijn oog een soort koptelefoontje, en in de broedtijd heeft de kokmeeuw een chocoladekleurige kop met net achter het oog een opvallend wit boogje, waardoor dat oog nog sprekender naar voren komt.

De vleugels zijn blauwgrijs. De grote slagpennen hebben een zwarte punt en een zwarte rand langs het witte veld – goed te zien op de foto met uitgeslagen vleugels. De poten en snavel zijn rood. Tussen de tenen zitten, net als bij eenden, zwemvliezen. Vanaf de tweede helft van januari begint de chocolade koptekening door te breken. Niet bij alle meeuwen tegelijk, zodat je in februari meeuwen in verschillende stadia van kop-rui kunt zien.

Kokmeeuwen zijn heel sociale vogels. Ze broeden en slapen gezamenlijk in grote groepen en ook voedsel zoeken doen ze vaak in een groep. Zo zijn ze vaak achter tractoren te zien als de boer aan het ploegen slaat; dan komen allerlei eetbare bodemorganismen tevoorschijn.

In het park eten de kokmeeuwen ook regenwormen. Ze hebben een bijzondere techniek om die te bemachtigen. Je kunt ze dan zien tenentrappelen, daarmee suggereren ze voor de worm dat er een mol in aantocht is. Veel wormen vluchten dan naar de oppervlakte en daar hapt de snavel van de meeuw dan meteen toe.

Door de uitbreiding van het vossenbestand zijn de kokmeeuwen op platte daken gaan broeden, want als Reintje eenmaal een kolonie op de grond heeft ontdekt, blijft hij dagelijks terugkomen om een voorraadje voedsel voor hem en zijn familieleden mee te nemen.

De meeuwen leggen drie eieren, waaruit aan eendenkuikens verwant-kleurige jongen tevoorschijn komen, die meteen het nest kunnen verlaten. Een kokmeeuw is pas in het derde levensjaar volwassen. In de twee jaren daarvoor draagt hij een overwegend bruin verenkleed, in het tweede jaar wordt dit al minder bruin en komen op het lijf de echte witte veren steeds meer tevoorschijn.

In de herfst komen veel kokmeeuwen uit Midden- en Noord-Europa naar ons land om te overwinteren. Zoals al gemeld slapen deze meeuwen  gezamenlijk. Onze parkmeeuwen overnachten doorgaans op de Sloterplas; tegen het naderen van de schemering kun je vaak groepjes meeuwen in die richting zien vliegen. Ze slapen al dobberend op het water van de Sloterplas, want net als bij eenden zijn hun veren volledig waterafstotend en dan komen die zwemvliezen tussen hun tenen ook goed te pas.

In de zomerperiode kunnen we vaak veel meeuwen boven de bebouwing en het park zien rondcirkelen; ze zijn dan op jacht naar uitgevlogen mierenvolken, die een welkome aanvulling op hun dagelijks menu vormen en een belangrijke eiwittenbron voor de meeuwen zijn.

Teun van Dijk

Monday, February 1st, 2021 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de sijs

De sijs is een wintergast in het park. De vogel broedt wel in Nederland, maar in een laag aantal. De vogels die zich in deze periode in het park vertonen zijn afkomstig uit de landen rond de Botnische golf: Zweden, Estland, Letland Litouwen en Finland. De aantallen schommelen elk jaar enorm bij deze soort.

Op de foto’s zien we links het mannetje en rechts het vrouwtje. Het vrouwtje is minder contrastrijk getekend. Het meest duidelijke onderscheid is het zwarte petje bij het mannetje.

Bij het mannetje valt ook de banaanvormige gele baan achter zijn oog op. Beide geslachten hebben een gele baan over hun vleugels, die vooral in vlucht goed zichtbaar wordt. Aan de stevige snavel is direct af te leiden dat de sijs een zaadeter is. In ons land foerageren ze vooral op sparren en elzen. Dus dat betekent in het park waar elzenbomen staan, zoals nabij de kinderboerderij en schooltuin, maak je de meeste kans ze te treffen.

Sijzen houden zich doorgaans in groepen op. Het zijn acrobatische vogels bij het voedsel zoeken, waarbij ze volledig op hun kop aan de takken met elzenproppen kunnen hangen. Ook zoeken ze vaak op de bodem naar uitgewaaide zaden van elzen en berken. Tijdens ijs en sneeuw is aan de waterkant waar elzen staan goed te zien hoeveel zaadjes die bomen produceren, doordat ze dan als donkere puntjes beter zichtbaar voor ons worden.

De sijs behoort tot de vinkachtigen. Hij heeft bijna hetzelfde formaat als de eerder besproken pimpelmees en heeft een brabbelende zang.

Teun van Dijk

Friday, January 8th, 2021 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de kauw

kauw

De kauw is het kleinste lid van de kraaienfamilie. Zijn achterhoofd en nek zijn grijs, verder is hij helemaal zwart van kleur, zelfs de poten en snavel. Hij heeft opvallend lichtblauwe ogen. Kauwen zie je doorgaans altijd in paren, ze zijn hun hele leven trouw aan één partner. Het zijn wel vogels die graag in groepjes leven. Ze slapen gezamenlijk in grote groepen en zoeken ook in groepjes naar voedsel.

Het zijn standvogels, ze blijven het jaarrond in Nederland. In de herfst komen hier wel soortgenoten uit Noord-, Oost- en Midden-Europa bij. Kauwen zijn erg aan steden gebonden, weliswaar zoeken ze ook buiten de stad in agrarisch gebied naar voedsel, maar in Flevoland zijn kauwen heel schaarse vogels.

Het zijn holenbroeders, en naast grote boomholtes broeden ze ook graag in (ongebruikte) schoorstenen en ventilatieschoorstenen. Vandaar dat veel mensen daar dan een kap op plaatsen, zodat die niet geheel met takken verstopt raakt. Kauwen nestelen graag dicht bij elkaar. In het park zijn het ook broedvogels, daar gebruiken ze bomen die dicht met klimop begroeid zijn, om hun nesten in te bouwen.

De Belg Achilles Kools heeft een studie gemaakt van de kauwen rond zijn huis. In het boek ‘Kauwen in de spiegel’ leert hij ons meer over het gedrag en de taal van de kauw. In de bekende reeks Verkade-albums is ook een boek aan de kauw gewijd: ‘Hans de Torenkraai’. Die naam is wat in onbruik geraakt, mede door het feit dat veel kerktorens met gaas ontoegankelijk zijn gemaakt voor kauwen en stadsduiven.

Kauwen zijn heel sociale vogels, ze broeden dan ook vaak in groepjes dicht bij elkaar. Ze kennen wel een rangorde, maar er ontstaan vrijwel nooit felle gevechten onderling. Ze vertonen een soort ridderlijk gedrag.

Kauwen zijn de vuilnismannen van de natuur. Ze ruimen allerlei voedselresten op, daarnaast eten ze ook graag zaden, wormen, sprinkhanen en rupsen. Die insecten zijn belangrijk voor het opgroeien van de jongen en de opbouw van hun verenkleed.

Ze slapen graag in groepen dichtbij slaapplaatsen van halsbandparkieten. Net als die parkieten maken ze in groepjes voortdurend contactgeluiden, die voor een kraaiachtige hoog en heel gezellig overkomen. En aan dit contactgeluid dankt hij zijn naam.

Teun van Dijk

Tuesday, December 1st, 2020 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de boomkruiper

boomkruiper

De boomkruiper is een weinig opvallende vogel, die zich langs boomstammen en dikke takken van beneden naar boven beweegt. Hij heeft een opvallende, lichte ooglijn en een lichtbeige borst en buik. De kop, rug en vleugels zijn bruin met lichte vlekjes en strepen, waardoor de vogel als hij stilzit nauwelijks opvalt tegen de schors van een boom. Het vogeltje heeft de afmetingen van een pimpelmees.

De snavel is opvallend gekromd en spits, waarmee de vogel als met een pincet allerlei spinnetjes en insecten tussen de spleten kan bemachtigen. Op de foto is ook de lange nagel aan zijn achterteen goed te zien. Die nagels geven hem met zijn staart steun bij het omhoog klimmen.

Als vogel die houdt van open landschap met grote bomen, voelt hij zich in het park prima thuis. Het zijn standvogels, dus ze trekken in de herfst niet weg, wel waaieren ze dan wat vaker uit over de omgeving. Ze worden in de herfst en winter ook vaak gezien tegen de bakstenen muren van huizen, waar ze in de spleten zoeken naar voedsel en ook grote bomen in tuinen worden dan graag door hem onderzocht. Onderzoek wees uit dat boomkruipers in de winter dagelijks 200/300 bomen inspecteren op iets eetbaars.

Doordat ze hun voedsel niet op de grond zoeken, hebben ze van sneeuw doorgaans niet veel te lijden, maar ijzel is vaak catastrofaal voor deze ong. 9 gram wegende vogeltjes. Ze hebben nauwelijks vetreserves in de winter en als ze urenlang geen voedsel kunnen bemachtigen, vallen er vaak veel slachtoffers.

Het broedseizoen begint voor deze soort eind maart, ze nestelen in spleten van zowel bomen als gebouwen. Ook buiten het broedseizoen blijven de partners elkaar veelal trouw en in de winter slapen ze vaak met enkele soortgenoten samen om warmteverlies te beperken.

Teun van Dijk

Sunday, November 1st, 2020 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de spreeuw

Spreeuw

In het najaar is de spreeuw een vogel die vaak de aandacht trekt, doordat hij met wel honderden soortgenoten een gezamenlijke slaapplaats opzoekt. Eerst trekken ze in groepjes naar voorverzamelpunten om dan door te vliegen naar de nabije slaapplaats. Voor die tijd houden ze dan vaak spectaculaire vliegdemonstraties. Zo’n slaapplaats bevond zich jarenlang in de bomen langs het water aan het eindpunt van de trams bij het Centraal Station. Ook bij het Leidseplein kwamen ze dagelijks overnachten. De vele uitwerpselen op deze drukbezochte plaatsen dwongen de gemeente veelal tot verjagingsmaatregelen. Dat is inmiddels allemaal historie.

Je zou dan denken dat het met de spreeuw dus wel goed gaat als je zoveel vogels bijeen kunt zien, maar helaas zijn de meeste van die vogels spreeuwen die ons land op doortrek vanuit het noorden en noordoosten aandoen. De spreeuwen in Nederland hebben ongemerkt de huismus gevolgd in het uit beeld verdwijnen. Vroeger zag je ze overal in de stad, maar buiten de nazomer en winter-periode moet je echt op zoek gaan om spreeuwen te treffen.

Onze eigen spreeuwen trekken in de nazomer/herfst naar Engeland, Ierland en West-Frankrijk.

In het voorjaar krijgen de mannetjes een gele snavel. Na de rui hebben de spreeuwen een borst, buik en rug met veertjes met een wit uiteinde. Op de foto is dat goed te zien. Door veerslijtage verdwijnen die puntjes in de loop van de lente. De vleugelveren hebben allemaal een lichtbruin randje, waardoor de individuele veren goed opvallen. Onder invloed van het zonlicht geeft het verenpak een groene een paarsachtige weerschijn. Ook dat is op de foto te zien. De staart is kort, waardoor de vogel een propperig uiterlijk krijgt. De vleugels zijn in vlieghouding opvallend driehoekig van vorm.

Spreeuwen eten vooral de larven van langpootmuggen, die zich ophouden tussen graswortels, vandaar dat ze graag foerageren op grasvelden. Maar hoeveel langpootmuggen ziet u nog jaarlijks in uw woning? Spreeuwen worden onbedoeld het slachtoffer van gif spuiten op grote grasvelden, in Amsterdam is dat inmiddels gelukkig verboden. In het najaar eten ze vooral bessen. Het zijn nestkastbroeders en ook broeden ze graag onder scheefliggende dakpannen en in boomholtes. In vroegere eeuwen hingen de mensen aan en bij hun woningen zg. spreeuwenpotten op; nestgelegenheden van gebakken klei. Tegen de tijd dat de jongen vliegvlug werden, haalde men de aanwezige vogels uit de pot en maakte ze klaar om op te eten.

Als zangpost gebruiken spreeuwen graag een hoog punt, zoals een flinke boom, schoorsteen of daknok. Bij het zingen houdt de spreeuw zijn vleugels vaak wat geopend, en afhangend. Spreeuwen zijn ook geweldige imitators van andere vogels, waardoor ze al heel wat vogelenthousiasten op het verkeerde been hebben gezet.

De pas uitgevlogen jongen lijken nog maar weinig op hun ouders. Ze hebben over het geheel een dof donkerbruin verenpak. Pas na de rui in de zomer krijgen ze het mooie verenkleed van hun ouders.

Al met al een interessante vogel, geen broedvogel van het Rembrandtpark, maar vanuit de nabije bebouwing komen wel zo nu en dan spreeuwen in het park naar voedsel zoeken.

Teun van Dijk

Thursday, October 1st, 2020 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de aalscholver

Aalscholver
Aalscholver

De aalscholver is geen broedvogel in het Rembrandtpark, maar komt er wel geregeld naar voedsel zoeken. Dat voedsel bestaat uit diverse soorten vis, tot zo’n 34 cm lengte. Zijn naam doet hij niet echt eer aan, aal is voor een aalscholver bijvangst. Zijn hoofdvoedsel wordt gevormd door pos, baars, blankvoorn, spiering en brasem. Op de foto vallen de zwemvliezen tussen zijn tenen goed op. Het bijzondere is dat aalscholvers drie zwemvliezen hebben in tegenstelling tot andere watervogels met zwemvliezen. Hun achterste teen is ook door een zwemvlies verbonden met de andere tenen.

Aalscholvers zijn al een heel oude vogelfamilie, helemaal aangepast aan het water, maar ze bezitten niet zoals eenden en meeuwen een waterdicht verenpak. Zodoende moeten aalscholvers na een onderwater jachtpartij hun verenpak gaan drogen, anders komen ze niet meer de lucht in en zullen ze verdrinken. Dat drogen doen ze met uitgespreide vleugels, zittend op een boom, dukdalf of lantaarnpaal en soms gewoon op de waterkant.

Aalscholvers broeden in kolonies en slapen doen ze buiten de broedperiode in een groep met soortgenoten. Ook vissen doen ze vaak gezamenlijk, vooral op groot water (dus niet in het park). Ze sluiten scholen vis dan met elkaar in, om zo meer vissen te kunnen vangen. De dichtstbijzijnde kolonies liggen in het Naardermeer en in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Sinds ze door de Europese Vogelrichtlijn beschermd zijn, gaat het stukken beter met deze vogelsoort. Nadat Nederland lange tijd twee kolonies kende; in het Naardermeer en bij Wanneperveen zijn er nu grote kolonies in o.a. de Oostvaardersplassen, Biesbosch, Oosterschelde en Den Oever (daar gewoon op de grond, op een strekdam). Doorgaans maken ze grote nesten in bomen, deze gaan in de loop der jaren door de zure uitwerpselen echter afsterven.

In Nederland zijn aalscholvers voornamelijk standvogel, maar in het najaar komen er ook aalscholvers uit noordoostelijker streken naar ons land. Sommige aalscholvers trekken helemaal naar Tunesië, Corsica en Sardinië om te overwinteren.

Voor de in groepen heen en weer vliegende aalscholvers uit het Naardermeer, heeft men bij de aanleg van een nieuw hoogspanningtracé dat dwars op hun dagelijkse vliegroutes richting Markermeer lag, de elektriciteitskabels allemaal op één hoogte evenwijdig gespannen ter hoogte van Muiderberg om het doodvliegen van die vogels te voorkomen. Let er maar eens op, als u weer een keer naar Almere gaat.

Aan het zwarte verenpak danken de vogels ook hun bijnaam ‘waterraaf’.  De foto laat echter mooi zien dat het verenpak weliswaar bijna geheel zwart is, maar toch niet zo zwart als bij een zwarte kraai. De dekveertjes van de vleugels hebben mooie, aan Oostindische pentekeningen doen denkende, accenten gekregen. In de broedtijd hebben de vogels een grote witte vlek bij hun dij (op de foto net zichtbaar) en op de kop verschijnen dan ook witte sierveertjes. Het wit aan de snavelbasis ontstaat echter door het ontbreken van veren op die plek!

Enfin, geen broedvogel, maar wel een interessante parkvogel.

Teun van Dijk

Tuesday, September 1st, 2020 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: het visdiefje

Deze keer geen broedvogel van het park, maar een regelmatige bezoeker. Het visdiefje is een lid van de familie van sterns, naaste verwanten van de meeuwen. Visdiefjes zijn echte trekvogels. Ze komen naar ons land om er te broeden, dat doen ze net als meeuwen in kolonies. Tijdens de zandopspuitingen destijds, van de Westelijke Tuinsteden en het Westelijk Havengebied, broedden visdiefjes op de vrijwel kale zandbodem.

Visdiefjes verblijven buiten het broedseizoen doorgaans aan de zeekust. De Zeeuwse Delta en de Waddeneilanden vormen hun belangrijkste broedgebieden, waar ze eveneens op nauwelijks begroeid terrein broeden. Na het verschijnen van Reintje de Vos in het Westelijk Havengebied, die daar alle eieren en jonge vogels begon op te eten, zochten de visdiefjes hun heil op platte daken van bedrijfsgebouwen in het Westelijk Havengebied.

Het belangrijkste voedsel van het visdiefje vormen kleine visjes. Die worden veelal duikend vanuit de lucht gevangen. De naar beneden gerichte snavel geeft aan dat de vogel het wateroppervlak in de gaten houdt op mogelijke prooien. Ze volgen vanuit het havengebied de sierwateren en komen zo de stad in. Zo verschijnen ze ook geregeld boven de waterpartijen van het Rembrandtpark. Visjes voor de jongen houdt de vogel in de snavel. Hij vliegt dan met opgerichte kop naar de nestplaats.

Visdiefjes onderscheiden zich van meeuwen door hun slankere vorm en ingesneden staart. De buitenste staartpennen zijn langer dan de middelste (zie foto). Het visdiefje heeft een zwart petje. (Meeuwen hebben soms een geheel bruine kop, zoals de kokmeeuw, maar anders hebben ze een bijna geheel witte kop.) Door hun ranke vorm, beweeglijkheid en staartvorm doen visdiefjes wel denken aan boerenzwaluwen, vandaar hun bijnaam: zeezwaluw. De vogel heeft blauwgrijze vleugels aan de bovenzijde. De rest van het lijf is geheel wit. De poten zijn rood, net als de snavel die eindigt in een zwarte punt (op de foto zonder visje is dat goed te zien).

De visdiefjes verschijnen begin april en in augustus beginnen ze aan de reis naar hun winterverblijfplaatsen. Dat zijn de West-Afrikaanse kusten. Deze maand biedt dus nog de gelegenheid ze boven de parkwateren te zien speuren naar visjes.

Teun van Dijk

Wednesday, July 1st, 2020 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: het waterhoen

waterhoen

Het waterhoen is nauw verwant aan de eerder besproken meerkoet. Bij de meerkoet zijn de snavel en de bles wit, bij het waterhoen zien we een rode snavel met een gele punt en een rode bles. Een opvallend kenmerk is dat het waterhoen zowel lopend als zwemmend zijn staart omhoog gericht houdt, zoals we dat ook bij de winterkoning zien. De onderkant van die staart is aan de buitenkanten over een brede strook wit gekleurd, zoals op de foto ook goed te zien is. Daarnaast lopen er vanaf de vleugelboeg een paar witte sierstrepen over de flanken van het waterhoen. De poten zijn geelgroen, met boven het gewricht een soort oranje gekleurde kousenband. Op de foto zijn de tenen van het waterhoen niet zichtbaar, maar de tenen zijn opvallend lang en niet gelobd, zoals bij de meerkoet. Die lange tenen stellen hem in staat om over slappe moerassige bodems te lopen en ook over de grote bladeren van gele plomp en waterlelie.

Terwijl de meerkoeten zich meestal in het water laten zien, lopen waterhoentjes liever over de oevers. Als ze zwemmen bewegen ze hun kop en staart gelijkmatig heen en weer.

Om in de lucht te komen moeten waterhoentjes eerst een aanloop nemen, zoals een vliegtuig; als ze vanuit water willen opstijgen moeten ze eerst over het wateroppervlak rennen. Een groot deel van onze waterhoentjes is standvogel, ze blijven het jaarrond in Nederland. In de herfst en winter wordt onze populatie aangevuld met vogels uit noordoostelijker streken. Waterhoentjes zijn nachttrekkers, ze reizen individueel, of met een enkele vogel samen. Een deel van onze broedvogels trekt naar Noord-Frankrijk of Engeland.

Het voedsel van het waterhoen bestaat uit insecten, wormen, slakjes, zaden en gras/kruiden.

Terwijl meerkoeten hun nest veelal op het water bouwen, ligt het nest van het waterhoen veelal op de oever. De broedduur bedraagt drie weken, waarbij beide oudervogels broeden. Het broeden begint na de leg van het laatste ei, zodat de kuikens kort na elkaar uit het ei kruipen. Als ze zijn opgedroogd, kunnen ze al gauw met de ouders op pad, waarbij ze al snel leren hoe ze ook zelf voedsel kunnen bemachtigen. Veelal hebben waterhoentjes twee broedsels per jaar, waarbij de jongen van het eerste broedsel vaak helpen om de jongere broertjes en zusjes te voeren.

Waterhoentjes slapen veelal op de kant –in tegenstelling tot de meerkoeten- en ook slapen ze veel in bomen, waarbij ze hun naam waterkip dus eer aan doen.

Teun van Dijk

Monday, June 1st, 2020 Natuur in het park No Comments

Abonneer U!

Search

 

Categorieën

Kalender

April 2021
M T W T F S S
« Mar    
 1234
567891011
12131415161718
19202122232425
2627282930  

Archief