Natuur in het park

Vogel van de maand: de boomkruiper

boomkruiper

De boomkruiper is een weinig opvallende vogel, die zich langs boomstammen en dikke takken van beneden naar boven beweegt. Hij heeft een opvallende, lichte ooglijn en een lichtbeige borst en buik. De kop, rug en vleugels zijn bruin met lichte vlekjes en strepen, waardoor de vogel als hij stilzit nauwelijks opvalt tegen de schors van een boom. Het vogeltje heeft de afmetingen van een pimpelmees.

De snavel is opvallend gekromd en spits, waarmee de vogel als met een pincet allerlei spinnetjes en insecten tussen de spleten kan bemachtigen. Op de foto is ook de lange nagel aan zijn achterteen goed te zien. Die nagels geven hem met zijn staart steun bij het omhoog klimmen.

Als vogel die houdt van open landschap met grote bomen, voelt hij zich in het park prima thuis. Het zijn standvogels, dus ze trekken in de herfst niet weg, wel waaieren ze dan wat vaker uit over de omgeving. Ze worden in de herfst en winter ook vaak gezien tegen de bakstenen muren van huizen, waar ze in de spleten zoeken naar voedsel en ook grote bomen in tuinen worden dan graag door hem onderzocht. Onderzoek wees uit dat boomkruipers in de winter dagelijks 200/300 bomen inspecteren op iets eetbaars.

Doordat ze hun voedsel niet op de grond zoeken, hebben ze van sneeuw doorgaans niet veel te lijden, maar ijzel is vaak catastrofaal voor deze ong. 9 gram wegende vogeltjes. Ze hebben nauwelijks vetreserves in de winter en als ze urenlang geen voedsel kunnen bemachtigen, vallen er vaak veel slachtoffers.

Het broedseizoen begint voor deze soort eind maart, ze nestelen in spleten van zowel bomen als gebouwen. Ook buiten het broedseizoen blijven de partners elkaar veelal trouw en in de winter slapen ze vaak met enkele soortgenoten samen om warmteverlies te beperken.

Teun van Dijk

Sunday, November 1st, 2020 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de spreeuw

Spreeuw

In het najaar is de spreeuw een vogel die vaak de aandacht trekt, doordat hij met wel honderden soortgenoten een gezamenlijke slaapplaats opzoekt. Eerst trekken ze in groepjes naar voorverzamelpunten om dan door te vliegen naar de nabije slaapplaats. Voor die tijd houden ze dan vaak spectaculaire vliegdemonstraties. Zo’n slaapplaats bevond zich jarenlang in de bomen langs het water aan het eindpunt van de trams bij het Centraal Station. Ook bij het Leidseplein kwamen ze dagelijks overnachten. De vele uitwerpselen op deze drukbezochte plaatsen dwongen de gemeente veelal tot verjagingsmaatregelen. Dat is inmiddels allemaal historie.

Je zou dan denken dat het met de spreeuw dus wel goed gaat als je zoveel vogels bijeen kunt zien, maar helaas zijn de meeste van die vogels spreeuwen die ons land op doortrek vanuit het noorden en noordoosten aandoen. De spreeuwen in Nederland hebben ongemerkt de huismus gevolgd in het uit beeld verdwijnen. Vroeger zag je ze overal in de stad, maar buiten de nazomer en winter-periode moet je echt op zoek gaan om spreeuwen te treffen.

Onze eigen spreeuwen trekken in de nazomer/herfst naar Engeland, Ierland en West-Frankrijk.

In het voorjaar krijgen de mannetjes een gele snavel. Na de rui hebben de spreeuwen een borst, buik en rug met veertjes met een wit uiteinde. Op de foto is dat goed te zien. Door veerslijtage verdwijnen die puntjes in de loop van de lente. De vleugelveren hebben allemaal een lichtbruin randje, waardoor de individuele veren goed opvallen. Onder invloed van het zonlicht geeft het verenpak een groene een paarsachtige weerschijn. Ook dat is op de foto te zien. De staart is kort, waardoor de vogel een propperig uiterlijk krijgt. De vleugels zijn in vlieghouding opvallend driehoekig van vorm.

Spreeuwen eten vooral de larven van langpootmuggen, die zich ophouden tussen graswortels, vandaar dat ze graag foerageren op grasvelden. Maar hoeveel langpootmuggen ziet u nog jaarlijks in uw woning? Spreeuwen worden onbedoeld het slachtoffer van gif spuiten op grote grasvelden, in Amsterdam is dat inmiddels gelukkig verboden. In het najaar eten ze vooral bessen. Het zijn nestkastbroeders en ook broeden ze graag onder scheefliggende dakpannen en in boomholtes. In vroegere eeuwen hingen de mensen aan en bij hun woningen zg. spreeuwenpotten op; nestgelegenheden van gebakken klei. Tegen de tijd dat de jongen vliegvlug werden, haalde men de aanwezige vogels uit de pot en maakte ze klaar om op te eten.

Als zangpost gebruiken spreeuwen graag een hoog punt, zoals een flinke boom, schoorsteen of daknok. Bij het zingen houdt de spreeuw zijn vleugels vaak wat geopend, en afhangend. Spreeuwen zijn ook geweldige imitators van andere vogels, waardoor ze al heel wat vogelenthousiasten op het verkeerde been hebben gezet.

De pas uitgevlogen jongen lijken nog maar weinig op hun ouders. Ze hebben over het geheel een dof donkerbruin verenpak. Pas na de rui in de zomer krijgen ze het mooie verenkleed van hun ouders.

Al met al een interessante vogel, geen broedvogel van het Rembrandtpark, maar vanuit de nabije bebouwing komen wel zo nu en dan spreeuwen in het park naar voedsel zoeken.

Teun van Dijk

Thursday, October 1st, 2020 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de aalscholver

Aalscholver
Aalscholver

De aalscholver is geen broedvogel in het Rembrandtpark, maar komt er wel geregeld naar voedsel zoeken. Dat voedsel bestaat uit diverse soorten vis, tot zo’n 34 cm lengte. Zijn naam doet hij niet echt eer aan, aal is voor een aalscholver bijvangst. Zijn hoofdvoedsel wordt gevormd door pos, baars, blankvoorn, spiering en brasem. Op de foto vallen de zwemvliezen tussen zijn tenen goed op. Het bijzondere is dat aalscholvers drie zwemvliezen hebben in tegenstelling tot andere watervogels met zwemvliezen. Hun achterste teen is ook door een zwemvlies verbonden met de andere tenen.

Aalscholvers zijn al een heel oude vogelfamilie, helemaal aangepast aan het water, maar ze bezitten niet zoals eenden en meeuwen een waterdicht verenpak. Zodoende moeten aalscholvers na een onderwater jachtpartij hun verenpak gaan drogen, anders komen ze niet meer de lucht in en zullen ze verdrinken. Dat drogen doen ze met uitgespreide vleugels, zittend op een boom, dukdalf of lantaarnpaal en soms gewoon op de waterkant.

Aalscholvers broeden in kolonies en slapen doen ze buiten de broedperiode in een groep met soortgenoten. Ook vissen doen ze vaak gezamenlijk, vooral op groot water (dus niet in het park). Ze sluiten scholen vis dan met elkaar in, om zo meer vissen te kunnen vangen. De dichtstbijzijnde kolonies liggen in het Naardermeer en in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Sinds ze door de Europese Vogelrichtlijn beschermd zijn, gaat het stukken beter met deze vogelsoort. Nadat Nederland lange tijd twee kolonies kende; in het Naardermeer en bij Wanneperveen zijn er nu grote kolonies in o.a. de Oostvaardersplassen, Biesbosch, Oosterschelde en Den Oever (daar gewoon op de grond, op een strekdam). Doorgaans maken ze grote nesten in bomen, deze gaan in de loop der jaren door de zure uitwerpselen echter afsterven.

In Nederland zijn aalscholvers voornamelijk standvogel, maar in het najaar komen er ook aalscholvers uit noordoostelijker streken naar ons land. Sommige aalscholvers trekken helemaal naar Tunesië, Corsica en Sardinië om te overwinteren.

Voor de in groepen heen en weer vliegende aalscholvers uit het Naardermeer, heeft men bij de aanleg van een nieuw hoogspanningtracé dat dwars op hun dagelijkse vliegroutes richting Markermeer lag, de elektriciteitskabels allemaal op één hoogte evenwijdig gespannen ter hoogte van Muiderberg om het doodvliegen van die vogels te voorkomen. Let er maar eens op, als u weer een keer naar Almere gaat.

Aan het zwarte verenpak danken de vogels ook hun bijnaam ‘waterraaf’.  De foto laat echter mooi zien dat het verenpak weliswaar bijna geheel zwart is, maar toch niet zo zwart als bij een zwarte kraai. De dekveertjes van de vleugels hebben mooie, aan Oostindische pentekeningen doen denkende, accenten gekregen. In de broedtijd hebben de vogels een grote witte vlek bij hun dij (op de foto net zichtbaar) en op de kop verschijnen dan ook witte sierveertjes. Het wit aan de snavelbasis ontstaat echter door het ontbreken van veren op die plek!

Enfin, geen broedvogel, maar wel een interessante parkvogel.

Teun van Dijk

Tuesday, September 1st, 2020 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: het visdiefje

Deze keer geen broedvogel van het park, maar een regelmatige bezoeker. Het visdiefje is een lid van de familie van sterns, naaste verwanten van de meeuwen. Visdiefjes zijn echte trekvogels. Ze komen naar ons land om er te broeden, dat doen ze net als meeuwen in kolonies. Tijdens de zandopspuitingen destijds, van de Westelijke Tuinsteden en het Westelijk Havengebied, broedden visdiefjes op de vrijwel kale zandbodem.

Visdiefjes verblijven buiten het broedseizoen doorgaans aan de zeekust. De Zeeuwse Delta en de Waddeneilanden vormen hun belangrijkste broedgebieden, waar ze eveneens op nauwelijks begroeid terrein broeden. Na het verschijnen van Reintje de Vos in het Westelijk Havengebied, die daar alle eieren en jonge vogels begon op te eten, zochten de visdiefjes hun heil op platte daken van bedrijfsgebouwen in het Westelijk Havengebied.

Het belangrijkste voedsel van het visdiefje vormen kleine visjes. Die worden veelal duikend vanuit de lucht gevangen. De naar beneden gerichte snavel geeft aan dat de vogel het wateroppervlak in de gaten houdt op mogelijke prooien. Ze volgen vanuit het havengebied de sierwateren en komen zo de stad in. Zo verschijnen ze ook geregeld boven de waterpartijen van het Rembrandtpark. Visjes voor de jongen houdt de vogel in de snavel. Hij vliegt dan met opgerichte kop naar de nestplaats.

Visdiefjes onderscheiden zich van meeuwen door hun slankere vorm en ingesneden staart. De buitenste staartpennen zijn langer dan de middelste (zie foto). Het visdiefje heeft een zwart petje. (Meeuwen hebben soms een geheel bruine kop, zoals de kokmeeuw, maar anders hebben ze een bijna geheel witte kop.) Door hun ranke vorm, beweeglijkheid en staartvorm doen visdiefjes wel denken aan boerenzwaluwen, vandaar hun bijnaam: zeezwaluw. De vogel heeft blauwgrijze vleugels aan de bovenzijde. De rest van het lijf is geheel wit. De poten zijn rood, net als de snavel die eindigt in een zwarte punt (op de foto zonder visje is dat goed te zien).

De visdiefjes verschijnen begin april en in augustus beginnen ze aan de reis naar hun winterverblijfplaatsen. Dat zijn de West-Afrikaanse kusten. Deze maand biedt dus nog de gelegenheid ze boven de parkwateren te zien speuren naar visjes.

Teun van Dijk

Wednesday, July 1st, 2020 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: het waterhoen

waterhoen

Het waterhoen is nauw verwant aan de eerder besproken meerkoet. Bij de meerkoet zijn de snavel en de bles wit, bij het waterhoen zien we een rode snavel met een gele punt en een rode bles. Een opvallend kenmerk is dat het waterhoen zowel lopend als zwemmend zijn staart omhoog gericht houdt, zoals we dat ook bij de winterkoning zien. De onderkant van die staart is aan de buitenkanten over een brede strook wit gekleurd, zoals op de foto ook goed te zien is. Daarnaast lopen er vanaf de vleugelboeg een paar witte sierstrepen over de flanken van het waterhoen. De poten zijn geelgroen, met boven het gewricht een soort oranje gekleurde kousenband. Op de foto zijn de tenen van het waterhoen niet zichtbaar, maar de tenen zijn opvallend lang en niet gelobd, zoals bij de meerkoet. Die lange tenen stellen hem in staat om over slappe moerassige bodems te lopen en ook over de grote bladeren van gele plomp en waterlelie.

Terwijl de meerkoeten zich meestal in het water laten zien, lopen waterhoentjes liever over de oevers. Als ze zwemmen bewegen ze hun kop en staart gelijkmatig heen en weer.

Om in de lucht te komen moeten waterhoentjes eerst een aanloop nemen, zoals een vliegtuig; als ze vanuit water willen opstijgen moeten ze eerst over het wateroppervlak rennen. Een groot deel van onze waterhoentjes is standvogel, ze blijven het jaarrond in Nederland. In de herfst en winter wordt onze populatie aangevuld met vogels uit noordoostelijker streken. Waterhoentjes zijn nachttrekkers, ze reizen individueel, of met een enkele vogel samen. Een deel van onze broedvogels trekt naar Noord-Frankrijk of Engeland.

Het voedsel van het waterhoen bestaat uit insecten, wormen, slakjes, zaden en gras/kruiden.

Terwijl meerkoeten hun nest veelal op het water bouwen, ligt het nest van het waterhoen veelal op de oever. De broedduur bedraagt drie weken, waarbij beide oudervogels broeden. Het broeden begint na de leg van het laatste ei, zodat de kuikens kort na elkaar uit het ei kruipen. Als ze zijn opgedroogd, kunnen ze al gauw met de ouders op pad, waarbij ze al snel leren hoe ze ook zelf voedsel kunnen bemachtigen. Veelal hebben waterhoentjes twee broedsels per jaar, waarbij de jongen van het eerste broedsel vaak helpen om de jongere broertjes en zusjes te voeren.

Waterhoentjes slapen veelal op de kant –in tegenstelling tot de meerkoeten- en ook slapen ze veel in bomen, waarbij ze hun naam waterkip dus eer aan doen.

Teun van Dijk

Monday, June 1st, 2020 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de zwartkop

Zwartkop mannetje
Zwartkop vrouwtje

Inmiddels zijn de zwartkoppen in de achterliggende maand weer volop Nederland binnengevlogen. Het zijn trekvogels die overwinteren rond de Middellandse Zee, maar ook nog zuidelijker tot aan de evenaar. Het bijzondere van deze zangvogel is, dat de mannetjes en vrouwtjes duidelijk te onderscheiden zijn. Het mannetje heeft een donker petje, waaraan de soort zijn naam ontleent en het vrouwtje heeft een kastanjekleurig petje. Zwartkoppen vertoeven graag in gemengde loofvegetaties, dus parken passen helemaal in hun wensplaatje. Voorwaarde is dat er wel de nodige ondergroei met struiken aanwezig is, dus het verwijderen van struiken voor het ‘sociale veiligheidsgevoel’ past niet in het zwartkop-straatje. Ze zullen het dan snel voor gezien houden!

De zwartkop zingt veelvuldig onder het foerageren, maar is met het inmiddels uitgelopen blad lastig te vinden in de bomen en struiken. De zang doet erg denken aan de merelzang, maar dan in een hogere versnelling.

Het zijn echte insecteneters, waardoor ze aan het eind van de zomer ons land verlaten. Door de doorgaans zachte winters van de laatste jaren, blijven er nu ook enkele zwartkoppen overwinteren. Ze stappen van hun insectendieet dan over op bessen. Meestal zijn het mannetjes die tijdens de winter worden gezien.

Ze bouwen hun nest in struiken. Daarin wordt door beide geslachten gebroed, gedurende bijna twee weken. Het legsel bestaat uit 4 tot 5 eitjes. Na 10 tot 11 dagen verlaten de jongen al het nest en worden dan nog geruime tijd gevoerd. Soms beginnen zwartkoppen nog aan een tweede broedsel.

Het mannetje is overwegend grijs gekleurd, waarbij de bovendelen donkerder zijn dan de borst en buik. Bij het vrouwtje hebben vleugels en rug een meer bruine tint. De poten zijn bij beide donkergrijs.

Gelukkig is dit een vogelsoort die een heel stabiel beeld vertoont, ook in het Rembrandtpark. Hier broeden jaarlijks zo’n 30 paartjes zwartkoppen.

Sunday, May 3rd, 2020 Algemeen, Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de wilde eend

Wilde eenden
Wilde eenden

Wilde eenden vormen in de herfst paartjes, ze blijven dan bij elkaar totdat de jongen uit het ei kruipen. Daarna vormen de mannetjes vrijgezellengroepen, terwijl de vrouwtjes met hun jongen hun eigen weg zoeken.

Mannetjes en vrouwtjes zijn bij de wilde eend duidelijk van elkaar te onderscheiden. Dat heeft alles te maken met het broedproces. De wilde eend broedt op de grond. Het mannetje met zijn fraaie kleurentooi zou meteen in de gaten lopen op het nest. Hij neemt dan ook niet deel aan het bebroeden van de eieren. Wel waakt hij vaak in de buurt en waarschuwt het vrouwtje voor naderend gevaar. Met haar vlekkerig bruine verenkleed, vormt het vrouwtje veelal één geheel met de bodem. Zolang ze zich niet beweegt, zal ze onzichtbaar zijn voor een naderende vijand. De oranje poten, zitten veilig buiten het zicht bij de eieren. De enige verfraaiing die het mannetje en het vrouwtje gemeen hebben is de zg. vleugelspiegel. Dat is een paarsblauw verenvlak afgezet met een witte rand in het midden van de vleugel. Op de foto piept bij het vrouwtje net een stukje van die spiegel met het witte randje tevoorschijn.

Wilde eenden leggen zo’n 10-12 eieren, waaruit jongen met donsveren tevoorschijn kruipen. Ze komen kort na elkaar uit, doordat het vrouwtje pas na het leggen van het laatste ei met broeden begint. Als de jongen zijn opgedroogd gaan ze met moeder op stap naar het dichtst-bijzijnde water. Moedereend voert haar jongen niet, ze moeten zelf hun voedsel zoeken. Dat bestaat vooral uit insecten. Moeder zorgt alleen voor bescherming, maar gevaar schuilt overal; snoeken, ratten en grote meeuwen. Vooral die grote meeuwen die vroeger alleen in de winter in de stad kwamen, vormen tegenwoordig een groot gevaar voor jonge eendjes. Die grote meeuwen broedden voorheen in de duinen en dan met name op de Waddeneilanden, maar nu vissersschepen geen bijvangst meer overboord mogen zetten, krijgen die meeuwen een voedselprobleem als hun jongen groter en dus hongeriger worden. Ze ontdekten dat de stad niet alleen in de winter voedsel verschaft, maar ook in het broedseizoen een beter restaurant is dan de zee. Veel kleine pullen eindigen als snackje in een meeuwenmaag. Sinds de laatste 10-15 jaar zien we de wilde eendenstand dan ook langzaam dalen. Nu broeden die grote meeuwen vaak op platte daken in het Westelijk Havengebied. De jaarlijks dalende trend van de wilde eendenpopulatie  is de reden geweest om 2020 uit te roepen tot het jaar van de wilde eend.

Jonge eendjes hebben nog geen waterdicht verenkleed en daarom moeten ze geregeld op de kant komen om hun veren te laten drogen, anders zouden ze verdrinken. De Amsterdamse grachten met hun hoge stenen kades, vormen voor jonge eendjes dan ook een groot gevaar als ze nergens uit het water kunnen komen om hun veren te laten drogen. Hier en daar hebben aanwonenden soms speciale eendentrappetjes langs de kade gemaakt, waar-door die jongen veilig uit het water op de kant kunnen komen.

Geregeld zie je ook wilde eenden met veel wit in hun verenpak of juist meer bruin op hun grijze delen. Zulke eenden worden soepeenden genoemd. Het zijn bastaarden van een gemengd paar wilde eend met een tamme eend. In het stadium van jong met donsveren kun je die soepeenden al herkennen, doordat ze veel geler tonen dan de rest van het span.

In de ruitijd, het wisselen van het verenpak, verliezen eenden al hun grote vleugelpennen binnen een paar dagen. Ze kunnen dan ruim 6 weken niet vliegen. Een gevaarlijke tijd vooral voor mannetjes eenden. De natuur helpt ze echter om veilig die periode door te komen. Voordat ze hun vleugelpennen verliezen, krijgen de mannetjes een tijdelijk bruin verenpak, waardoor ze er bijna als een vrouwtje uitzien. Alleen de snavel blijft geel en ook houden ze hun twee gekrulde staartveren. Door dat bruine verenpak heeft het mannetje in de vliegloze weken net zo’n mooie schutkleur als het vrouwtje. Zo kan hij veilig zijn vleugelpennen ruien, zonder ten prooi te vallen aan belagers. Als de vleugelpennen tegen het aanbreken van de herfst weer zijn uitgegroeid, verwisselt hij de bruine veren voor zijn fraaie mannetjeskleed. Dan gaan die mannetjes ook weer op zoek naar een vrouwtje, om een paar te vormen voor het volgende broedseizoen.

Jonge eenden hebben tot ze vliegvlug zijn allemaal een bruin verenkleed. Pas daarna ruien de jonge mannetjes hun bruine verenkleed en krijgen ze het fraai gekleurde verenpak van een mannetjes eend.

Friday, April 3rd, 2020 Algemeen, Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de merel

merel
merel vrouwtje
merel
merel mannetje

De merel behoort tot de familie van de lijsters. In tegenstelling tot andere lijsterachtigen kun je bij de merel het vrouwtje en het mannetje goed van elkaar onderscheiden. De foto’s tonen het vrouwtje, dat geheel bruin gekleurd is, met een iets lichtere buikzijde. Het mannetje is geheel zwart met een oranje/gele snavel.

Merels zijn in Nederland standvogel, maar in de herfst komen er veel merels uit noordoostelijker streken naar ons land om te overwinteren. Als het winterweer zachter wordt, kunnen merels in februari al hun zang laten horen. Daarbij gaat het mannetje meestal op een hoge positie zitten. Die zang begint al een uur voor zonsopgang. In de lente gaan merels ook meestal met het invallen van de avondschemering zingen. Naast boomtoppen zien we ze dan vaak op lantaarnpalen en schoorstenen hun zang ten gehore brengen.

Tot 1900 was de merel voornamelijk een bosvogel, maar sindsdien is hij langzaam de bebouwde kom gaan opzoeken en tegenwoordig kun je hem in parken en tuinen in heel Amsterdam tegenkomen. Ze beginnen al vroeg in het voorjaar met de nestbouw. Het nest van deze vogels is een fraai vlechtwerk van grasstengels, dunne twijgen, mosjes en andere zachte materialen. De binnenkant bestrijken ze met vochtige aarde, zodat een stevig komvormig nest ontstaat. Daarin legt het vrouwtje dan 4 of 5 blauwe eitjes die overal kleine donkere vlekjes hebben. Na twee weken broeden, kruipen de jongen uit het ei en twee weken later verlaten ze het nest om nog wat onbeholpen met hun ouders op voedseljacht te gaan. De eerste tijd worden ze dan nog steeds door de oudervogels gevoerd.

Merels broeden nu zelfs soms in schuurtjes met een open verbinding naar buiten, waarbij een opgehangen helm dan benut wordt als bouwplaats voor het nest. Anders bouwt de merel het wel ergens op een plank. Ook in een balkonplantenbak kun je een merelnest aantreffen. Ze broeden meestal 2x, soms 3x per jaar.

Jonge merels lijken erg op hun moeder, maar ze hebben op de buik meer een vlekkenpatroon. Na de rui, krijgen ze hun eerste mannetjes- of vrouwtjes-uiterlijk. In hun eerste weken buiten het nest moeten ze ook leren reageren op vijanden. Menig mereljong wordt dan de prooi van een kat en ook het verkeer eist vooral onder jonge merels zijn tol.

Het voedsel van merels bestaat vooral uit regenwormen en bessen. Merels lopen veelal een paar passen over een gazon, houden vervolgens hun kop wat schuin, dit om regenwormen vlak onder het oppervlak te horen kruipen. Dan gaat pijlsnel de snavel de grond in en begint veelal een trek-kracht-oefening met die worm. Die komt dan vervolgens geheel of gedeeltelijk de grond uit en wordt gegeten. Tussen de strooisellaag zoeken merels veelal naar insecten en geleedpotigen, zoals pissebedden.

In de herfst en winter slapen merels vaak samen in kleine groepjes. Dit geeft meer veiligheid tegen belagers. Meer ogen en oren bespeuren sneller naderend gevaar.

T.R. van Dijk

Sunday, March 8th, 2020 Algemeen, Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de winterkoning

Winterkoning
Winterkoning

Dit vogeltje heeft de bijnaam Klein Jantje, dat is niet verwonderlijk als je de twee na kleinste vogel in Nederland bent. Als je het geluid hoort dat dit vogeltje maakt, zou je niet denken dat het uit zo’n klein vogeltje komt. Hij kan dus met recht  ‘een flinke bek’ opzetten,  zie en beluister https://www.youtube.com/watch?v=88zu0EAEYEY . In het Rembrandtpark komen flink wat winterkoningen voor.

Het is, zoals de foto goed laat zien, een vogel in diverse bruintinten, afgewisseld met zwarte streepjes. Boven zijn ogen heeft hij een opvallend wit lijntje. Wat op de foto ook goed opvalt, is zijn staart. Meestal houden de winterkoningen hun staart recht omhoog, behalve als ze vliegen. Een andere vogel die dit gedrag vertoont, is het waterhoen.

De winterkoning dankt zijn naam aan het feit dat hij één van de weinige vogels is, die in de winter zingt. Dat heeft hij gemeen met de roodborst. Beide vogelsoorten hebben een winterterritorium. Dus moeten ze geregeld aan soortgenoten laten weten, dat die plek al bezet is. Winterkoningen zijn insecteneters en insecten zijn schaars in de winter. Een winterkoning wil de insecten in zijn territorium niet graag delen met een soortgenoot. Behalve insecten en hun larven en poppen, eten ze ook graag spinnen en allerlei kleine beestjes in de strooisel laag.

Winterkoningen zijn standvogels, d.w.z. dat ze het hele jaar in ons land blijven. Wel komen er in de herfst soortgenoten uit noordoostelijker streken in de nacht uren naar ons land, om aan de winter in hun geboorteland te ontsnappen. Winterkoningen houden zich graag op in de struiklaag en op de bodem. Het zijn geen uitgesproken bosvogels, want ze houden van open stukjes (die trekken ook meer insecten, dan een dicht bos). Zodoende kun je ze ook in tuinen met struiken en klimop aantreffen. Ze houden wel van de nabijheid van water. Wat dat betreft voldoet het Rembrandtpark aan al hun wensen.

Behalve een nest om in te broeden, bouwen winterkoningen ook z.g. ‘speelnesten’. De mannetjes bouwen meerdere nesten en het vrouwtje maakt dan de keuze waar ze haar eitjes legt. Ze legt er doorgaans zo’n zeven. Vaak broeden winterkoningen 2-3 keer per jaar. Dat is ook wel nodig om te overleven als soort, want in echte winters, en zeker die met sneeuw, sterven veel winterkoningen van honger en kou.

Vaak slapen ze met meerdere exemplaren bijeen in een speelnest. De nesten van een winterkoning zijn bolvormig met een openingsgat en vanbinnen bekleed met allerlei zachte materialen. Zo zijn ze dan ’s nachts beschermd tegen de ergste kou. In tegenstelling tot grotere vogels verliezen winterkoningen heel veel warmte en moeten dus flink eten gedurende de uren met daglicht om de lange winternachten te overbruggen. Door hun voedselkeuze zie je ze vrijwel niet op voedertafels, want dat aanbod voldoet niet aan hun menu.

Sunday, February 2nd, 2020 Algemeen, Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de koperwiek

Koperwiek

De koperwiek is geen broedvogel in Nederland, maar een wintergast uit Noord- en Noordoost-Europa. Het is net als de merel en de zanglijster een lid van de lijsterfamilie.

Vanaf eind september beginnen de koperwieken ons land binnen te vliegen. Een aantal blijft hier de winterperiode hangen, maar het merendeel trekt door naar zuidelijker Europa of zelfs naar Noord-Afrika.

Van die trek is niet veel te zien, want het zijn echte nachttrekkers. Hun schrille hoge roep kun je gedurende de maand november heel vaak ’s nachts horen als ze met duizenden overtrekken. Door die nachtelijke trek ontlopen ze roofvogels en jagers, maar helaas worden er in Zuid-Europa veel koperwieken tijdens hun dagverblijf geschoten om geconsumeerd te worden.

De koperwiek dankt zijn naam aan het feit dat de onderkant van zijn vleugels een roodachtige kleur in de oksels te zien geeft. De foto geeft dat goed weer.

Koperwiek

Van de zanglijster onderscheidt deze vogel zich door de doorlopende witte lijn boven zijn ogen. Net onder de vleugel komt in zithouding soms ook nog iets van dat roodachtige in beeld.

In de periode dat koperwieken in Nederland verblijven, zijn ze altijd in een groep bijeen. Ze zoeken vooral bessen, maar voeden zich onder de bomen en struiken ook met allerlei beestjes, zoals we dat ook van merels kennen. Net als de merels slapen ze in de herfst- en winterperiode in groepjes bijeen, vaak in groenblijvende struiken.

Als het in de winter gaat sneeuwen, vertrekken de koperwieken die in Nederland gebleven zijn, meestal meteen naar zuidelijker gebieden. In het voorjaar komen de zuidelijker doorgetrokken koperwieken ook weer door Nederland, op weg naar hun broedgebieden. De groepen zijn dan veel groter dan nu in de winter en soms gaan ze dan al met de hele groep hun zangkunsten ten gehore brengen. In Zweden en Noorwegen zie je ze ook in tuinen, zoals dat in Nederland met zanglijsters het geval is.

Monday, January 6th, 2020 Natuur in het park No Comments

Abonneer U!

Search

 

Categorieën

Kalender

November 2020
M T W T F S S
« Oct    
 1
2345678
9101112131415
16171819202122
23242526272829
30  

Archief