Natuur in het park

Vogel van de maand: de ijsvogel

ijsvogel

De ijsvogel is een onregelmatige bezoeker van het Rembrandtpark. De meeste kans om er eentje bij één van de waterpartijen in het park te treffen is tussen augustus en maart. Dat is de periode dat jonge ijsvogels gaan rondzwerven, op zoek naar een eigen territorium.

Met zijn blauw/oranje uiterlijk is de ijsvogel een tropisch aandoende vogelsoort. Door zijn blauwe bovenzijde wordt hij in de volksmond ook wel ‘de blauwe schicht’ genoemd. IJsvogels vliegen namelijk in een rechte lijn pijlsnel op hun doel af.

Het vrouwtje is net zo mooi gekleurd als het mannetje. Het enige verschil tussen de beide geslachten is dat het vrouwtje een oranjekleurige ondersnavel heeft en het mannetje een geheel zwarte snavel.

IJsvogels broeden in steile wanden, daarin graven ze met hun snavel en poten een tunnel van zo’n 75 cm lang. Aan het einde van die tunnel komt een verbreding: de nestkamer.

Door die steile wand kunnen ratten en marterachtigen niet bij de nestgang komen en zit de broedende vogel met het broedsel veilig. Soms voldoen ook andere plekken aan de veiligheidseisen, en broeden ijsvogels graag in wortelkluiten van omgewaaide bomen die dicht bij een watergang liggen.

IJsvogels leven van kleine visjes. Vaak speuren ze vanaf een over het water hangende tak naar mogelijke prooien onder water. Die vangen ze dan in een razendsnelle duik met hun snavel. Die snavel is dan ook even groot als hun kop zelf.

Bij het horen van de naam ijsvogel denken veel mensen dat deze vogelsoort goed tegen ijs kan, maar nee, die naam is ontleend aan de blauwachtige kleur die ijs kan aannemen. IJs op het water is juist het schrikbeeld van elke ijsvogel; ze kunnen niet jagen. Veel vissen gaan dan namelijk dicht bij de bodem op grotere diepte rondzwemmen en worden onbereikbaar voor de ijsvogels. Zolang er wakken in het ijs zitten, maken de ijsvogels echter nog een goede kans. Dan kunnen vissen het onder water ook benauwd krijgen en zwemmen ze naar zo’n wak om lucht te kunnen happen.

Bij strenge winters, zoals in 2016, toen het een week flink vroor en er constant een harde wind stond, stierf in ons land bijna ¾ van de ijsvogelpopulatie. Die vorstperiode kwam aan het einde van de winter, en dan heeft de vogel niet veel reserve meer; onder zo’n straffe wind ook nog eens op temperatuur blijven kost heel veel energie.

In de winter van 2020/2021  is de ijsvogelpopulatie landelijk weer gehalveerd is onlangs vastgesteld.

Vaak hebben ijsvogels twee broedsels per jaar en soms zelfs wel drie. De vogels die de winter overleefd hebben kunnen de populatie dan weer omhoog brengen en als er niet meteen weer een strenge winter volgt kan de populatie langzaam gaan herstellen.

De laatste jaren zijn er op vele plaatsen in Amsterdam broedwandjes voor ijsvogels aangelegd, daardoor is er nu zeker geen gebrek meer aan mogelijke broedplekken.

Teun van Dijk

Wednesday, December 1st, 2021 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: goudhaantje – vuurgoudhaantje

Goudhaantje
Goudhaantje
Vuurgoudhaantje
Vuurgoudhaantje

Het goudhaantje is het kleinste Europese vogeltje. Het weegt 5 à 6 gram. Het vogeltje is geen broedvogel in het Rembrandtpark, maar juist in deze herfstmaanden komt een groot aantal hiervan vanuit Scandinavië, de Baltische Staten en vanuit nog oostelijker streken naar Nederland. Dan zijn ze ook in het Rembrandtpark te zien. Van die trek merken we niet veel, want het zijn echte nachttrekkers.

Deze vogeltjes leven vooral in naaldbossen en gemengde bossen. In de herfst/winter-periode sluiten ze zich graag aan bij groepjes mezen. Het geluid van deze vogel is een heel hoog sie-sie-sie-sie.

Het zijn heel beweeglijke vogeltjes, ze zitten geen minuut stil. Buitelend in alle mogelijke houdingen zijn ze op zoek naar insecten en spinnetjes. Het zijn geen bezoekers van voedertafels.

Ze zijn gevoelig voor sneeuw, want dan wordt hun voedsel moeilijk bereikbaar en doordat ze nauwelijks een vetvoorraad hebben, sterven er dan vele. Het goudhaantje moet dagelijks zijn lichaamsgewicht aan voedsel eten; als de dagen steeds korter worden en beschikbare insecten goed verborgen zitten, wordt dat een hele opgave.

Het goudhaantje heeft een fel geel gekleurde kruin, die begrensd wordt door een zwarte streep. Het lijfje is lichtgrijs/groen. De vleugelveren hebben gele randjes en er lopen twee witte baantjes over de vleugels. De staart is donker grijs/groen. Het vogeltje heeft een spitse snavel, waarmee hij als met een pincet zijn voedsel weghaalt uit de kleinste spleetjes.

Onze eigen goudhaantjes zijn standvogels, d.w.z. ze blijven het gehele jaar in ons land. Het aantal goudhaantjes dat in de herfst ons land komt bezoeken wisselt van jaar tot jaar flink in aantal.

Het goudhaantje heeft nog een directe verwant, die ook in deze periode naar ons land komt: het vuurgoudhaantje. Hij heeft dezelfde afmeting, maar verschilt van het goudhaantje door een witte wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep. Het vuurgoudhaantje gebruikt ons land vooral als tussenstop op zijn trektocht naar wat zuidelijker Europa. Slechts een heel klein deel overwintert in Nederland.

In 1928 werd het eerste broedgeval van een vuurgoudhaantje in Nederland vastgesteld. Door de klimaatopwarming heeft de vogel zich inmiddels vanuit het zuiden tot in Denemarken gevestigd. Buiten de trektijd is het een echte sparrenbosbewoner. In Nederland broedt deze soort op de Veluwe en in Drenthe.

Teun van Dijk

Tuesday, November 2nd, 2021 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de blauwe reiger

De blauwe reiger is geen broedvogel van het Rembrandtpark. Blauwe reigers broeden in kolonies en de dichtstbijzijnde kolonie ligt in het Sloterpark nabij de Allendelaan. Andere bekende kolonies in Amsterdam zijn Frankendael en Artis. Nabij het watersportcentrum aan de Sloterplas was jarenlang ook nog een kolonie, maar die vogels besloten zich bij hun soortgenoten aan de overzijde van de plas aan te sluiten. Je kunt de reiger dus wel een echte parkvogel noemen.

Voorheen trok een groot deel van de reigers in de herfst naar zuidelijker gebieden, maar door steeds zachtere winters groeide de laatste decennia het aantal overwinteraars. Die overwinteraars krijgen wel aanvulling van soortgenoten uit Duitsland en Scandinavië.  De vogels die wel wegtrekken vliegen zelfs helemaal naar de Canarische Eilanden. Dit weten we doordat ze geringd worden.

De overwinteraars in onze stad beginnen soms al in december met het oplappen van hun nest; soms  zitten ze daarom al met de kerstdagen op de eieren. Reigers beginnen na het leggen van het eerste ei meteen met broeden, zodat de jongen niet tegelijk uit het ei kruipen. Bij slechte voorjaarsomstandigheden wordt het kleinste jong vaak door de oudste twee opgegeten. Reigers leggen 3 tot 5 eieren. Ze gaan niet allemaal tegelijk broeden, zodat je in een kolonie nesten met reigers in allerlei leeftijdsfasen ziet. Doorgaans houdt na het uitkomen van de eieren één oudervogel de wacht op het nest, terwijl de partner op jacht gaat.

Als de jonge vogels uiteindelijk uitvliegen zijn ze nog lang als jong te onderscheiden van de volwassen vogels, doordat eerstejaars-reigers een geheel grijze hals hebben, terwijl die van de ouders wit is. Ook hebben jonge reigers een donkere snavel, terwijl die van oudere vogels geheel of merendeels geel/oranje is. De grote slagpennen zijn donkerblauw, de dekveren van de vleugels zijn lichtblauw gekleurd. Boven het oog hebben ze een donker vlak over hun kop lopen. De kruin is wit. De borst en buik zijn lichtgrijs.  Volwassen reigers hebben in het voorjaar lange sierveren op borst en rug.

Het voedsel van reigers bestaat uit vis, amfibieën (kikkers, salamanders), kleine zoogdieren, jongen van watervogels (ook wel pullen genoemd), sprinkhanen en grote (water)kevers. In de stad profiteren ze vaak van door mensen aangeboden ééndagskuikens, slachtafval e.d.

Tegenwoordig zijn reigers het hele jaar rond beschermd.

Teun van Dijk

Sunday, October 3rd, 2021 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de ekster

De ekster is een lid van de familie van kraaiachtigen. Net als zijn verwanten, de zwarte kraai en de kauw, leven deze vogels hun hele leven met dezelfde partner. De ekster is opvallend door zijn luidruchtigheid en zijn staart die even lang is als zijn lijf. Ook zijn verenkleed doet hem in het oog springen; de borst is zwart, net als de kop, rug, staart, snavel en poten. Zijn buik is wit evenals zijn schouderveren. De zwarte veren kunnen onder invloed van het zonlicht groen of blauw-paarsachtig oplichten.

Vanaf januari beginnen de eksters aan het herstel van hun nest. Ze gebruiken vaak een nest van een eerder jaar. Dat nest krijgt ook een dakconstructie. Al met al wordt het een flink bouwwerk, meestal in de kroon van een boom. Behalve een nest voor de eieren bouwen eksters ook zogenaamde speel- of slaapnesten. Daar ontbreekt dan het dak veelal en ze ogen doorgaans wat onafgemaakt. Eksternesten worden ook vaak gebruikt door uilen en roofvogels, zoals de torenvalk, die zitten dan goed verborgen en worden niet gepest door alarmerende zangvogels.

De eksters zijn tegenwoordig beschermde vogels, maar door hun slechte naam is dat lang niet het geval geweest. Jagers schoten in het voorjaar vaak met hagel door eksternesten, maar doordat die nesten ook een uil of een torenvalk konden huisvesten, vielen er ook andere onwenselijke slachtoffers. Gelukkig wordt er tegenwoordig genuanceerder naar de eksters gekeken. De vogelnesten die door eksters leeggeroofd worden, zijn vaak slecht verborgen. Door die predatie krijgen vogels met goed verborgen nesten betere overlevingskansen. Eksters hebben per jaar maar één broedsel, terwijl veel zangvogels vaak meerdere broedsels hebben. Een rover zal ook nooit de hele populatie van zijn prooien uitroeien, want dat zou z’n eigen doodvonnis betekenen.  Zwerfkatten brengen veel meer slachtoffers teweeg, dan de hele eksterpopulatie.

In de natuur vervult de ekster een belangrijke rol als opruimer. Het zijn echte alleseters: ze eten vruchten, zaden, dode dieren (slachtoffers van ziekte of het verkeer), muizen, insecten en eieren en jongen van andere vogels.

Het park is een ideaal verblijfgebied voor eksters – open delen voor voedsel, bosschages voor broedgelegenheid en voedsel. Het zijn standvogels, die het gehele jaar in de buurt van hun nestplaats rondhangen.

Buiten de broedtijd slapen de eksters, net als de andere kraaiachtigen, vaak in een groep bijeen. Wel is die groep veel kleiner dan bij zwarte kraaien en kauwen. De eksters vliegen in paren naar de slaapplaats, zodat het minder opvalt, zeker als je dat vergelijkt met kauwen die in aangroeiende groepen rondvliegen en dan op zeker moment naar de slaapplek doorvliegen.

Teun van Dijk

Thursday, September 2nd, 2021 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de gierzwaluw

De gierzwaluw is geen broedvogel van het park, maar vanaf de laatste dagen van april tot begin augustus kan hij geregeld in de lucht worden waargenomen, als hij pendelt tussen zijn broedplek in De Baarsjes en zijn jachtgebied.

Gierzwaluwen vliegen doorgaans in paartjes, behalve als het vrouwtje in mei op de twee eieren zit. Die broedtijd is de enige periode dat die zwaluwen een slaapplek gebruiken, de rest van het jaar overnachten ze al duttend hoog in de lucht! Dat doet geen enkele vogel ze na. Als een zweefvliegtuig beschrijven de gierzwaluwen dan al slapend grote cirkels in de lucht gedurende de nacht.  Als de jongen vliegvlug zijn, verlaten ze al spoedig ons land. Na de eerste week van augustus zie je doorgaans geen gierzwaluwen meer, hooguit passanten uit nog noordelijker streken.

Ze hebben helemaal niets met de gierenfamilie te maken, maar hun naam hebben ze te danken aan het gierende geluid dat ze voortbrengen als ze in een groep aan het begin van de dag of tegen de avondschemering in de buurt van de nesten gaan rondvliegen.

Gierzwaluwen maken hun nest (dat je nauwelijks een nest kunt noemen) op de panlatten van een pannendak. In de Baarsjes hebben veel woningen een plat dak met aan de straatzijde een schuin oplopend gedeelte dat met dakpannen bedekt is. Bovenaan die pannenrij zit doorgaans een houten betimmering. Doordat dakpannen een golvend patroon hebben, maar die houten betimmering niet, kunnen de gierzwaluwen de spleet onderaan die betimmering gebruiken om bij de bovenste panlat te komen voor hun nest. Helaas hebben veel huiseigenaren de dakpannen laten vervangen door asfalt-shingles en ja, dan heb je geen panlatten en dus ook geen gierzwaluwen meer. Om dat probleem op te lossen heeft de gemeente Amsterdam subsidie verleend om zwaluwkasten op te hangen, direct onder de dakgoot. Wie goed naar de dakranden kijkt zal die op diverse plaatsen kunnen zien.

Met hun lange spitse vleugels zijn de gierzwaluwen helemaal aangepast aan hun verblijf in de lucht. Als in het broedseizoen een langdurige periode van regenachtig weer aanbreekt, vliegen die zwaluwen naar het zuiden, soms tot noord Frankrijk aan toe om daar voedsel te verzamelen. Het kan dan zelfs  voorkomen dat ze een paar dagen niet bij het nest verschijnen. Dan krijgen de twee jongen geen voer, maar dan gebeurt er al weer iets unieks in de vogelwereld. Die jongen gaan dan in een ruststand, d.w.z. hun hartslag daalt, evenals hun lichaamstemperatuur en ze gaan slapen. Je kunt het vergelijken met de winterslaap van zoogdieren en amfibieën.

De poten van de gierzwaluw zijn heel kort, ze dienen dan ook alleen maar om zich aan steenranden vast te grijpen. Mocht een jong bij zijn eerste luchtsprong op de grond terechtkomen, dan kan hij ook niet meer de lucht in komen. Die korte pootjes en die lange vleugels zitten elkaar dan flink in de weg om weer de lucht in te komen. Zo’n ongelukkig jong kun je alleen maar helpen door hem vanaf je hand dan het luchtruim te laten kiezen.

Teun van Dijk

Thursday, July 1st, 2021 Natuur in het park No Comments

Plant van de maand: fluitenkruid

Deze maand brengen we geen vogel, maar een plant onder de aandacht.

Het fluitenkruid is een witte schermbloemige plant, die we van april t/m juni veelvuldig in het park zien. De paden worden er rijkelijk mee omzoomd, een ook onder de  bomen voelt hij zich thuis.

Hij wordt 1 à anderhalve meter hoog en is tweejarig, d.w.z. dat hij in z’n tweede jaar pas bloeit.  Als je hem met rust laat zal hij zichzelf blijven uitzaaien. In het najaar zien we dan zijn mooie parapluutjes met zaadjes. In ons park komt hij elk jaar terug, omdat hij tijdens de bloei niet afgemaaid wordt. De plant heeft daardoor voldoende mogelijkheid om zaad te maken.

Om wildgroei van bomen en struiken te voorkomen moeten de bermen wel gemaaid worden. Maar om de kruiden te behouden -en daarmee de biodiversiteit in het park te stimuleren en bijen van voedsel te voorzien- wordt er speciaal maaibeleid uitgevoerd.

De bladeren van het fluitenkruid zijn geveerd, d.w.z. ze hebben allemaal miniblaadjes die één blad vormen, zoals een veer uit baardhaartjes bestaat, die samen de veer vormen. Dat geeft de plant, net als de bloem, een wat doorschijnend en teer uiterlijk.

De stengel is licht behaard en gegroefd. En hij is hol, waardoor hij zich leent om een fluitje van te maken. Eén waarmee je overigens maar één toon kan maken. Wil je weten hoe je dat doet? Op internet vond ik het volgende filmpje: https://www.youtube.com/watch?v=w8cMeXYx7zE.

Er bestaat nog meer fluitenkruid, althans planten waar je fluitjes van kan snijden. Maar omdat fluitenkruid zo zacht is vergeleken met de takken van de wilg -waar je steviger fluitjes van maakt- is hij misschien favoriet geweest?

De bekende natuurbeschermer en onderwijzer uit de 19e eeuw, Jac. P. Thijsse noemde het fluitenkruid ook wel ‘Hollands kant’, omdat de bloemetjes zo fijn zijn.

Eva de Rijk

Tuesday, June 1st, 2021 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de groenling

Groenling

De groenling behoort tot de familie van vinkachtigen. Het is een echte zaadeter, hetgeen aan de forse snavel goed te zien is; om die zaden te kraken heb je een flinke snavel nodig. Het vermalen gebeurt in de maag van de vogel. Daarom eten vogels ook kleine steentjes op, die dienen in hun maag als maalstenen om het voedsel te verkleinen. Ze zijn niet kieskeurig in hun zaadkeuze, maar als ze voorhanden zijn, lusten ze heel graag de zaden in rozenbottels. Naast zaden eten ze ook bladknoppen. Alleen in hun eerste levensdagen voeren de oudervogels hun jongen ook insecten.

Het is duidelijk dat zijn olijfkleurige verenkleed deze vogel zijn naam heeft gegeven. Daarnaast zitten er ook wat grijstinten in het verenkleed en op de vleugels zitten opvallende gele kleurvelden, evenals op het midden van de buitenste staartpennen. Die gele vlakken vallen vooral op als de vogel vliegt. Vandaar dat het mannetje in het voorjaar behalve zijn zang ook geregeld zijn vliegkunst vertoont om zo vrouwelijke aandacht te trekken. Het vrouwtje is iets minder fel getekend dan het mannetje.

Het geluid dat groenlingen voortbrengen doet denken aan vliegende-schotelspeelgoed, zoals kinderen dat vroeger dan met een trekkoord op gang brachten, waardoor ook  geluid ontstond. De zang lijkt dan ook in niets op die van zijn familielid de vink en kent twee delen: een kanarie-achtig rollende toon, vaak gevolgd door een nasaal en gerekt ‘djèèèèèè…’

Onze groenling is een standvogel, die in de winterperiode groepjes vormt en wat rondzwerft. Uit Noordoost-Europa komen veel groenlingen in de herfst naar ons land.

Ze houden vooral van halfopen landschappen, dus het park past prima in dat plaatje. Ze broeden graag in groenblijvende bomen en struiken, waarin hun verenkleed als een prima camouflagepak functioneert.

In het park is het een schaarse broedvogel. De grootste kans er één te treffen is rond de schooltuintjes en in de nabijheid van het schildpaddeneiland en de hangbrug.

Teun van Dijk

Saturday, May 1st, 2021 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de holenduif

Holenduif

Al eerder is in deze rubriek de houtduif besproken, die opvalt door zijn grote witte halsvlek. De holenduif is een duif van bescheidener afmetingen en heeft geen witte, maar een groene halsvlek die onder invloed van zonlicht metaalachtige weerschijn krijgt. Hij heeft hetzelfde formaat als de bekende stadsduiven, maar hij is heel schuw tegenover mensen. De stadsduiven hebben een heel bont verenkleed, bijna geen enkele is gelijk getekend. De holenduif is daarentegen minder opvallend. Hij heeft wel kenmerkende donker gekleurde slagpennen, die extra opvallen als de vogel zijn vleugels uitslaat. Over de kleinere vleugelveren lopen twee zwarte bandjes. Ze zijn wat bescheidener dan dezelfde bandering bij sommige stadsduiven. De borst is paars/roodachtig aangezet. De staart heeft een donkere eindband. Op de foto is dat goed te zien.

De vogel dankt zijn naam aan het broeden in holen. Naast het gebruik van konijnenholen op de grond broedt hij veelal in boomholtes, daardoor komt zijn bescheidener formaat t.o.v. de houtduif goed te pas. In het Rembrandtpark staan weinig bomen met voldoende grote boomholtes, maar net als de kauw, vindt de holenduif grotendeels met klimop begroeide bomen een goede boomholte-vervanger; achter die klimoplaag waan je je in een boomholte.

Voor een duif zijn ze weinig luidruchtig. Het is een vogel waar je in het park dus echt naar op zoek moet gaan. Ze zijn het beste zichtbaar als ze op de grond naar voedsel lopen te zoeken.

Foerageren doen ze graag in groepjes en na het broedseizoen zoeken ze soortgenoten op om dan soms met tientallen akkers af te zoeken naar oogstresten. Als het ze in het park te druk wordt, hebben ze er geen moeite mee om een flink eind te vliegen naar een plek waar ze voedsel weten te vinden. Soms wel 10 – 20 km van hun nestplaats. Het zijn echte zaadeters. In de herfst en winter zijn ze vaak in het park afwezig en verblijven ze meer aan de stadsranden. Onze vogels zijn standvogel, maar in de herfst en winter zoeken veel soortgenoten uit Finland, Zweden en Noord-Duitsland vaak hun heil bij ons, zeker als in het noorden de sneeuw begint te vallen.

De holenduif broedt van maart tot oktober en broedt dan meerdere broedsels uit, doorgaans 3 tot 4. Een broedsel telt steeds 2 eieren. Ze broeden ook vaak in kauwennesten. Die kauwtjes broeden maar 1x per jaar. De holenduif wacht dan met broeden tot het kauwennest is uitgevlogen en daarna neemt hij het verlaten nest in gebruik.

Teun van Dijk

Thursday, April 1st, 2021 Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de zilvermeeuw

De vorige maand maakten we kennis met de kokmeeuw, deze maand wordt zijn grote neef de zilvermeeuw in beeld gebracht. Dit is een echte zeemeeuw die boven zee en op het strand kan worden aangetroffen. Net als de kokmeeuw zoekt hij graag soortgenoten op. In de winterperiode komen zilvermeeuwen graag ook in de stad rondkijken, wat daar allemaal te eten valt. Zilvermeeuwen zijn echte vuilnismannen, alles wat eetbaar is gaat naar binnen, op de vloedlijn speuren ze naar wat eetbaar is. In de stad deinzen ze er niet voor terug om vuilniszakken open te scheuren, want ze weten dat daar doorgaans wel iets eetbaars in te vinden is.

Deze meeuw is zeker tweemaal een kokmeeuw van afmetingen. De rug en vleugelveren zijn blauwgrijs. De grote slagpennen zijn voornamelijk zwart met wit in de top, zoals de foto laat zien. De hele rest van het lijf is wit. De snavel is geel met in het voorjaar een rode vlek op de ondersnavel. Die dient vooral als richtpunt voor de jonge meeuwen, door ernaar te pikken gaat de oudervogel dan voedsel overgeven. Letterlijk want ze braken het op. De poten zijn vleeskleurig en hebben zwemvliezen.

Net als de kokmeeuw is ook de zilvermeeuw sinds de komst van de vossen in het duingebied steeds meer gaan uitwijken naar platte daken aan de rand van de bebouwde kom. Vooral op bedrijventerreinen vestigen ze zich graag, zoals in het Westelijk Havengebied. Die grote meeuwen hebben doorgaans ook een flinke ontlasting en zo’n meeuwenkolonie kan de ramen van zo’n gebouw waar ze nestelen flink vervuilen, waardoor ze niet altijd met open armen worden ontvangen. Doordat op de Wadden-eilanden geen vossen voorkomen, broeden ze daar nog in de duinen.

Net als de kokmeeuw legt het vrouwtje drie eieren. De jongen worden met dons bedekt geboren en kunnen na het opdrogen meteen het nest verlaten, maar toch blijven ze veelal in de buurt, want daar voeren de ouders immers hun voedsel aan en die grote buren hebben gevaarlijke snavels. Als ze eenmaal vliegvlug geworden zijn, hebben ze net als de jongen van de kokmeeuw een overwegend bruingevlekt verenkleed. Zie foto. Bij deze grotere meeuwensoort doen de jongen er een jaar langer over om volwassen te worden. Elk jaar verdwijnt er een deel van die bruinige veren en gaan ze meer op hun ouders lijken. Zie foto jong in 2de levensjaar. De staart en vleugeldekveren behouden het langst hun bruinige tekening.  Grotere vogels worden ouder dan kleine, deze meeuwen kunnen 30 jaar oud worden. De meeste sterven in hun jeugdjaren, veelal doordat ze nog te weinig ervaring hebben met het verzamelen van voldoende voedsel.

jong in het 2e jaar

Zilvermeeuwen zijn in deze tijd ook altijd in het park te vinden, op de vijvers of de gazons ernaast. Hier vertonen ze soms hetzelfde gedrag als de kokmeeuwen: trappelen met hun poten. Niet tegen koude tenen, maar om wormen te doen suggereren dat er een mol nadert.

Doordat ze nu ook aan de rand van de stad nestelen, vormen ze een gevaar voor jonge watervogels. Die vormen een gewilde snack voor zo’n grote meeuw. Een moedereend of een meerkoet kan ook weinig uitrichten tegen zo’n gevederde reus en moet vaak ongewild toezien hoe één van haar jongen tussen de snavel zijn eerste en laatste luchtreis gaat maken. De achteruitgang van de wilde eend kan hieraan wel eens voor een groot deel toe te schrijven zijn.

Buiten het broedseizoen slapen deze meeuwen in grote groepen, net als de kokmeeuw, dobberend op het water van de Sloterplas, één van de rustige havens, of een grote aanlegsteiger in het water.

Teun van Dijk

Monday, March 1st, 2021 Algemeen, Natuur in het park No Comments

Vogel van de maand: de kokmeeuw

In deze tijd van het jaar wordt het park druk bezocht door kokmeeuwen. Bij meeuwen denken we doorgaans meteen aan de zee, maar de kokmeeuw is geen uitgesproken zeemeeuw. Hij is meer verbonden met zoet water.

De kokmeeuw kent twee jaarverenkleden: in de winter heeft hij achter zijn oog een soort koptelefoontje, en in de broedtijd heeft de kokmeeuw een chocoladekleurige kop met net achter het oog een opvallend wit boogje, waardoor dat oog nog sprekender naar voren komt.

De vleugels zijn blauwgrijs. De grote slagpennen hebben een zwarte punt en een zwarte rand langs het witte veld – goed te zien op de foto met uitgeslagen vleugels. De poten en snavel zijn rood. Tussen de tenen zitten, net als bij eenden, zwemvliezen. Vanaf de tweede helft van januari begint de chocolade koptekening door te breken. Niet bij alle meeuwen tegelijk, zodat je in februari meeuwen in verschillende stadia van kop-rui kunt zien.

Kokmeeuwen zijn heel sociale vogels. Ze broeden en slapen gezamenlijk in grote groepen en ook voedsel zoeken doen ze vaak in een groep. Zo zijn ze vaak achter tractoren te zien als de boer aan het ploegen slaat; dan komen allerlei eetbare bodemorganismen tevoorschijn.

In het park eten de kokmeeuwen ook regenwormen. Ze hebben een bijzondere techniek om die te bemachtigen. Je kunt ze dan zien tenentrappelen, daarmee suggereren ze voor de worm dat er een mol in aantocht is. Veel wormen vluchten dan naar de oppervlakte en daar hapt de snavel van de meeuw dan meteen toe.

Door de uitbreiding van het vossenbestand zijn de kokmeeuwen op platte daken gaan broeden, want als Reintje eenmaal een kolonie op de grond heeft ontdekt, blijft hij dagelijks terugkomen om een voorraadje voedsel voor hem en zijn familieleden mee te nemen.

De meeuwen leggen drie eieren, waaruit aan eendenkuikens verwant-kleurige jongen tevoorschijn komen, die meteen het nest kunnen verlaten. Een kokmeeuw is pas in het derde levensjaar volwassen. In de twee jaren daarvoor draagt hij een overwegend bruin verenkleed, in het tweede jaar wordt dit al minder bruin en komen op het lijf de echte witte veren steeds meer tevoorschijn.

In de herfst komen veel kokmeeuwen uit Midden- en Noord-Europa naar ons land om te overwinteren. Zoals al gemeld slapen deze meeuwen  gezamenlijk. Onze parkmeeuwen overnachten doorgaans op de Sloterplas; tegen het naderen van de schemering kun je vaak groepjes meeuwen in die richting zien vliegen. Ze slapen al dobberend op het water van de Sloterplas, want net als bij eenden zijn hun veren volledig waterafstotend en dan komen die zwemvliezen tussen hun tenen ook goed te pas.

In de zomerperiode kunnen we vaak veel meeuwen boven de bebouwing en het park zien rondcirkelen; ze zijn dan op jacht naar uitgevlogen mierenvolken, die een welkome aanvulling op hun dagelijks menu vormen en een belangrijke eiwittenbron voor de meeuwen zijn.

Teun van Dijk

Monday, February 1st, 2021 Natuur in het park No Comments

Abonneer U!

Search

 

Categorieën

Kalender

December 2021
M T W T F S S
« Nov    
 12345
6789101112
13141516171819
20212223242526
2728293031  

Archief